In de LVG / gehandicaptensector is sprake van een groep kinderen met allerlei verschillende beperkingen, stoornissen en ontwikkelings- of gedragsproblemen. Het signaleren van kindermishandeling, seksueel misbruik en huiselijk geweld is bij ‘gewone kinderen’ vaak al een lastige zaak, maar bij kinderen ‘waar iets mee aan de hand is’ is dit nog eens extra ingewikkeld.












Welk signaal wijst op wat?

Kinderen met een (verstandelijke) beperking die slachtoffer zijn van mishandeling, misbruik of verwaarlozing zullen dit meestal niet uit zichzelf vertellen of zelfs onderkennen. Zij geven vaak wel allerlei ‘signalen’ af, waaruit je kunt opmaken dat er iets aan de hand is. Deze signalen kunnen soms waarneembaar zijn aan het lichaam van het kind (striemen, wonden of een verwaarloosd uiterlijk), maar vaak ook toont het zich in het gedrag van het kind (of in het gedrag van het kind richting ouders of andere volwassenen).

Het lastige is dat je als professional in de zorg/opvang aan kinderen met een (verstandelijke) beperking onderscheid zult moeten maken tussen de gedragingen en symptomen van een kind, behorend bij zijn specifieke verstandelijke en/of lichamelijke beperking met de (daarbij behorende) ontwikkelings- of gedragsproblematiek én de (gedrags)signalen die kunnen duiden op kindermishandeling. Veel gedragingen die op de lijst staan van ‘gedragssignalen kindermishandeling’ zullen bij kinderen in de LVG / gehandicaptensector sowieso al vaker voorkomen. Dit hoeft uiteraard bij hen nog niet te betekenen dat zij slachtoffer zijn van kindermishandeling. Echter andersom gaat de redenering ook op: bij een kind met een verstandelijke beperking dat regelmatig woede-uitbarstingen heeft kan deze woede óók een signaal zijn van mishandeling en moet dus niet al zijn gedrag ‘klakkeloos geaccepteerd’ worden als behorend bij zijn beperking of gedragsstoornis.

Kortom: bij kinderen in de LVG / gehandicaptensector is het – nóg meer dan bij normaal begaafde kinderen – van belang om jezelf de vraag te blijven stellen: Wat zie ik? Welke signalen neem ik waar? Past dit bij de handicap / beperking of (gedrags)problematiek van dit individuele kind? Of is er mogelijk (nog) iets anders aan de hand?












Niet-pluis-gevoel

Vermoedens van kindermishandeling beginnen vaak bij een zogenaamd 'niet-pluis-gevoel' van u als professional. Vaak gaat het hier om 'een intuïtie' of 'onderbuikgevoel', waarbij u zich zorgen maakt om het kind. Neem dit gevoel serieus, breng de door u waargenomen signalen in kaart en volg de stappen van het protocol.

Het gebruik maken van signalenlijsten bij vermoedens van kindermishandeling

Als kinderen mishandeld, verwaarloosd en/of (seksueel) misbruikt worden, kunnen ze signalen uitzenden. Het gebruik van een signalenlijst kan zinvol zijn, maar biedt ook een zekere mate van schijnzekerheid. De meeste signalen zijn namelijk stressindicatoren, die aangeven dat er iets met het kind aan de hand is. Dit kan ook iets anders zijn dan kindermishandeling (echtscheiding, overlijden van een familielid, enz.). Hoe meer signalen van deze lijst een kind te zien geeft, hoe groter de kans is dat er sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling.

Het is niet de bedoeling om aan de hand van een signalenlijst het ‘bewijs’ te leveren van kindermishandeling. Het is wel mogelijk om een vermoeden van mishandeling meer te onderbouwen naarmate er meer signalen uit deze lijst geconstateerd worden. Een goed beargumenteerd vermoeden is voldoende om in actie te komen!

Wanneer een kind letsel vertoont, overleg dan direct met de kinder- of jeugdarts. Indien nodig kan deze het letsel beschrijven. Deze gegevens zijn van belang voor een eventueel onderzoek naar kindermishandeling.

Ook informatie over andere kinderen in het gezin wordt betrokken bij de afwegingen.










Signalen kindermishandeling (0 - 4 jaar)


Deze lijst is bestemd voor mensen die beroepshalve te maken hebben met kinderen van 0-4 jaar. Het is niet de bedoeling om aan de hand van een signalenlijst het bewijs te leveren van de mishandeling. Het is wel mogelijk om een vermoeden van mishandeling meer te onderbouwen naarmate er meer signalen uit deze lijst geconstateerd worden. Een goed beargumenteerd vermoeden is voldoende om in actie te komen.

1. Psycho-sociale signalen

Ontwikkelingsstoornissen

  • achterblijven in taal-spraak-, motorische, emotionele en/of cognitieve ontwikkeling
  • schijnbare achterstand in verstandelijke ontwikkeling
  • regressief gedrag
  • niet zindelijk op leeftijd waarop men het verwacht

Relationele problemen ten opzichte van volwassenen

  • bij oppakken houdt het kind zich opvallend stijf
  • bevriezing bij lichamelijk contact
  • allemansvriend
  • lege blik in ogen en vermijden oogcontact
  • waakzaam, wantrouwend

Relationele problemen ten opzichte van andere kinderen

  • speelt niet met andere kinderen
  • is niet geliefd bij andere kinderen
  • wantrouwen
  • terugtrekken in eigen fantasiewereld
  • wordt gepest of is zelf pester

Gedragsproblemen:

  • plotselinge gedragsverandering
  • geen of nauwelijks spontaan spel, geen interesse in spel
  • labiel, nerveus
  • depressief
  • angstig
  • passief, in zichzelf gekeerd, meegaand, apatisch, lusteloos
  • agressief
  • hyperactief
  • niet lachen, niet huilen
  • niet tonen van gevoelens, zelfs niet bij lichamelijke pijn
  • eetproblemen
  • slaapstoornissen
  • vermoeidheid, lusteloosheid

2. Medische signalen

Lichamelijke kenmerken (specifiek voor lichamelijke mishandeling)

  • blauwe plekken,
  • krab-, bijt-, of brandwonden
  • botbreuken
  • littekens
  • achterblijven in taal-, spraak-, motorische, emotionele en/of cognitieve ontwikkeling

Voedingsproblemen

  • ondervoeding
  • voedingsproblemen bij babies
  • steeds wisselen van voeding
  • veel spugen
  • matig groeien, ondanks vodloende hoeveelheid
  • weigeren van voeding
  • achterblijven in lengtegroei

Verzorgingsproblemen

  • slechte hygiëne
  • ernstige luieruitslag
  • onvoldoende kleding
  • onvoldoende geneeskundige en tandheelkundige zorg
  • veel ongevallen door onvoldoende toezicht
  • herhaalde ziekenhuisopnamen
  • recidiverende ziekten door onvoldoende zorg
  • traag herstel door onvoldoende zorg

3. Signalen specifiek voor seksueel misbruik

Lichamelijke kenmerken:

  • verwondingen aan genitaliën
  • vaginale infecties en afscheiding
  • jeuk bij vagina en/of anus
  • problemen bij het plassen
  • recidiverende urineweginfecties
  • pijn in de bovenbenen
  • pijn bij lopen en/of zitten
  • seksueel overdraagbare ziekten

Relationele problemen

  • angst voor mannen of vrouwen in het algemeen of voor een man of vrouw in het bijzonder

Gedragsproblemen

  • afwijkend seksueel gedrag
  • excessief en/of dwangmatig masturberen
  • angst voor lichamelijk contact of juist zoeken van seksueel getint lichamelijk contact
  • niet leeftijdsadequaat seksueel spel
  • niet leeftijdsadequate kennis van seksualiteit
  • angst om zich uit te kleden
  • angst om op de rug te liggen
  • negatief lichaamsbeeld: ontevredenheid over, boosheid op of schaamte voor eigen lichaam
  • schrikken bij aangeraakt worden
  • houterige motoriek (onderlichaam op slot)
  • geen plezier in bewegingsspel









Gedragssignalen (4-12 jaar)

  • somber, lusteloos, in zichzelf gekeerd
  • eetproblemen
  • slaapstoornissen
  • schrikken bij aangeraakt worden
  • hyperactief
  • agressief
  • plotselinge gedragsverandering (stiller, extra druk, stoer)
  • vastklampen of abnormaal afstand houden
  • isolement tegenover leeftijdgenoten
  • zelfvernietigend gedrag (bv. haren uittrekken, praten over dood willen, suïcidepoging)
  • geheugen- en concentratiestoornissen
  • achteruitgang van leerprestaties
  • overijverig
  • zich aanpassen aan ieders verwachtingen, geen eigen initiatief
  • extreem zorgzaam en verantwoordelijk gedrag
  • verstandelijk reageren, gevoelens niet tonen (ouwelijk gedrag)
  • geseksualiseerd (“verleiden”) gedrag, seksueel getint taalgebruik
  • opvallend grote kennis over seksualiteit (niet passend bij de leeftijd)
  • verhalen of dromen over seksueel misbruik, soms in tekeningen
  • geen spontaan bewegingsspel
  • moeite met uitkleden voor gymles of niet meedoen met gym
  • spijbelen, weglopen van huis
  • stelen, brandstichting
  • verslaving aan alcohol of drugs





Extra signalen voor kinderen 12 – 18 jaar

  • Suïcidaal gedrag
  • Anorexia
  • Boulimia
  • Weglopen van huis
  • Crimineel gedrag
  • Verslaafd aan alcohol of drugs
  • Promiscuïteit/prostitutie
  • Relationeel geweld





Kenmerken ouders / gezin:

  • ouder troost kind niet bij huilen
  • ouder klaagt overmatig over het kind, toont weinig belangstelling
  • ouder heeft irreële verwachtingen ten aanzien van het kind
  • ouder is zelf mishandeld of heeft psychiatrische- of verslavingsproblemen
  • ouder gaat steeds naar andere artsen/ziekenhuizen (‘shopping’)
  • ouder komt afspraken niet na
  • kind opeens van school halen
  • aangeven het bijna niet meer aan te kunnen
  • ‘multi-problem’ gezin
  • ouder die er alleen voorstaat
  • regelmatig wisselende samenstelling van gezin
  • isolement
  • vaak verhuizen
  • sociaal-economische problemen: werkloosheid, slechte behuizing, migratie, etc.
  • veel ziekte in het gezin
  • geweld wordt gezien als middel om problemen op te lossen











Signalen seksueel misbruik bij mensen met een verstandelijke beperking

Onderstaande signalenlijst kan gebruikt worden om een vermoeden van seksueel misbruik te onderbouwen. Seksueel misbruik is een feit, een vermoeden van seksueel misbruik gaat over belevingen en kan onderbouwd worden met medische signalen, gedragssignalen en omgevingssignalen (gezins-en instellingssignalen).

Onderstaande beschreven signalen kunnen ook wijzen op andere problemen van de cliënt.

Voorkomen moet worden dat er al te snel gefocust wordt op vermoedelijk misbruik. Alternatieve hypothesen dienen ook getoetst te worden.


1. Lichamelijke signalen

Het is belangrijk om pas dan andere verklaringen voor onderstaande signalen aan te nemen als een vermoeden van seksueel misbruik kan worden uitgesloten. Bij de meerderheid van de seksueel misbruikte cliënten zijn geen lichamelijke afwijkingen te zien. Dat betekent niet dat lichamelijk onderzoek overbodig is. Ook een gaaf maagdenvlies sluit misbruik niet uit.


- Onverklaarbare beschadigingen of bloedingen van vagina, penis of rectum

- Bloed, sperma van anderen in vagina of anus

- Blauwe plekken op intieme delen van het lichaam (borsten, billen, onderbuik, binnenkant van de benen) 

- Symmetrie in de blauwe plekken aan de binnenkant van de bovenbenen

- Abnormale verwijding van vagina, rectum

- Seksueel overdraagbare aandoeningen: herpes, aids, candida, vooral bij jonge kinderen.

- Langdurige en/of veelvuldige blaasontstekingen

- Urineweginfecties

- Niet zindelijk (soms wel geweest)

- Vaginale infecties/afscheiding

- Pijn aan geslachtsorganen

- Pijn bij het vrijen

- Niet klaar kunnen komen

- Houterige motoriek, bij het lopen benen tegen elkaar willen houden

- Aanhoudende pijn in de onderbuik

- Eetproblemen: slikproblemen, anorexia, boulimie, obesitas

- Automutilatie: verwondingen aan vagina, anus of penis

- Zwangerschappen op te jonge leeftijd of door onbekende vader

- Vermijding van medisch onderzoek door cliënt: angst en paniek als cliënt naar de dokter moet.


2. Gedragssignalen


Ook bij de gedragssignalen geldt dat de hypothese seksueel misbruik niet te snel verworpen moet worden door mogelijke andere verklaringen van het gedrag. Elke hypothese verdient het om uitgezocht te worden. Een hypothese kan niet op 1 signaal gebaseerd worden.

De algemene gedragssignalen angsten, slecht slapen, hoofdpijnen, eenzaamheid, depressie, gebrek aan vertrouwen in de ander, acting-out, stemmingswisselingen, regressief gedrag worden hier niet beschreven. Deze signalen kunnen passen bij een hypothese seksueel misbruik, maar wijzen vaker ook op andere problemen.

Onderstaande gedragssignalen zijn specifieker passend bij seksueel misbruik, maar kunnen ook een andere verklaringsgrond hebben.


- De cliënt vertelt over misbruik (spontane onthulling of disclosure)

- Excessief masturberen

- Herhaaldelijke seksuele spelletjes bij kinderen die niet leeftijdsadequaat zijn

- Seksueel grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van anderen

- Seksuele details die cliënten in een verhaal naar voren brengen

- Gefixeerd op seksualiteit; veel praten over seksualiteit, veel vragen stellen over seksualiteit,

gefocust op borsten, geslachtsdelen van anderen

- Niet leeftijdsadequate kennis over seksualiteit

- Praten over niet leeftijdsadequate seksuele ervaringen

- Seksualiseren van sociale contacten, ook daar waar duidelijk is dat een seksueel contact niet

mogelijk is

- Grenzeloos in praten over seksualiteit en daarbij soms ook seksueel opgewonden worden

- Onverklaarbaar angstig worden: bijv. door harde stemmen, bepaalde geuren, bepaalde muziek.

- Te sexy kleding dragen voor alledaagse situaties

- Veel losse seksuele contacten

- Fixatie op het uiterlijk: veel sieraden en make-up, zich nooit zonder durven te vertonen

- Re-victimisatie: bij herhaling slachtoffer worden van seksueel misbruik

- Opvallende angst voor mannen (soms voor vrouwen), donker, slapen gaan

- Niet veilig voelen op eigen kamer

- Lang douchen

- Niet willen douchen

- Niet aangeraakt willen worden bij verzorging

- Zichzelf vies vinden, negatief zelfbeeld

- Niet mee willen gymmen op school

- Niet willen zwemmen

- Niet durven uitkleden

- Verhullen van het lichaam; lagen met wijde kleding: altijd koud hebben

- Schrikken bij onverwachte aanrakingen

- Onverklaarbare langere tijd van afwezigheid op school, werk, vrije tijd

- Vermijden van gesprekken over seksualiteit

- Niet meer durven vrijen met partner

- Parentificatie: pseudo-volwassen gedrag

- Het lichaam als publiek bezit ervaren (anderen zijn de baas over mijn lijf)

- Afhankelijk zijn van dader

- Dader in het vizier houden: hem/haar zelf op gaan zoeken om controle enigszins te houden

- Over-alerte houding, niet kunnen ontspannen

- Vermijden van gevoelens, ook als er over misbruik wordt gesproken

- Monotone stem en expressieloos gelaat

- Angst om naar huis, instelling te gaan

- Angst (meestal te zien in weerstand) voor specifieke begeleiders, vrijwilligers, familieleden,

taxichauffeurs

- Angst voor homoseksualiteit (vaak bij jongens en mannen)

- Soms behoefte om anderen pijn te doen: zwakkeren, kinderen

- Soms pijn doen van dieren


3. Omgevingssignalen


Deze signalen zijn opvallend in de omgeving van de cliënt, die mogelijk seksueel misbruikt wordt. Niet alleen persoonsfactoren van de cliënten zijn belangrijk, maar ook de omgevingsfactoren kunnen seksueel misbruik uitlokken en/of in stand houden.


a. Gezinssignalen

- Eerder misbruik in een gezin; bijv., moeder of vader is zelf slachtoffer geweest

- Afgesloten, geïsoleerde gezinnen

- Gezinnen waarin nooit over seksualiteit wordt gesproken

- Gezinnen waar te veel over seksualiteit wordt gesproken

- Gezinnen waar kinderen porno te zien krijgen

- Grenzen tussen ouders en kinderen zijn vervaagd: ouders bespreken hun eigen seksualiteit met de kinderen. Soms zijn kinderen ook getuige van de seks van ouders.

- Kinderen slapen bij ouders of hun broers of zussen in bed

- Geen gescheiden slaapkamers

- Ouders die zelf seksueel wervend gedrag laten zien in het contact met hulpverleners

- Emotionele en pedagogische verwaarlozing


b. Instellingssignalen

- Gesloten woningen: weinig transparantie naar buiten

- Verwevenheid van persoonlijke relaties van hulpverleners met cliënten

- Niet-professionele verhoudingen met cliënten

- Sterke hiërarchische verhoudingen

- Gespannen sfeer in de instelling

- Geen visie of protocol aanpak seksueel misbruik

- Weinig aandacht voor seksuele opvoeding en educatie

- Ontmoedigingsbeleid op seksuele contacten bij volwassen cliënten

- Te veel nadruk op recht op seksualiteit, zonder de juiste ondersteuning aan cliënten te geven. Kan gemakkelijk tot laissez-faire houding leiden.

- Te weinig wijzen op rechten van cliënten

- Te weinig wijzen op plichten van cliënten

- Zwakke implementatie van beleid op seksualiteit

- Gedogen van vermoedens van seksueel misbruik, zonder onderzoek te doen

- Onvoldoende coaching van hulpverleners op bejegening van cliënten

- Sterk naar binnen gerichte cultuur van de instelling


c. Hulpverleners die een risico vormen

- Exclusieve relaties aangaan met de cliënten

- Zich onttrekken aan de gemaakte afspraken m.b.t. de cliënt

- Hulpverlener verwart zijn/haar professionele relatie met vriendschap

- Veelvuldig grappen maken over seksualiteit tijdens het werk

- Seksistische opmerkingen

- Hulpverlener die zich bij iedereen geliefd weet te maken, maar ook bondjes smeedt in het team.

- Hulpverlener die bij voortduring buiten zijn bevoegdheden treedt zonder overleg

- Te lang met cliënten weg zonder verklaring

- Hulpverlener werkt graag alleen

- Hulpverlener geeft weinig transparantie over eigen handelen


NB: Deze signalenlijst is gebaseerd op de signalenlijst beschreven in: “Verstandelijke handicap en seksueel misbruik” J. Douma, P. van den Bergh en Joop Hoekman; en

“Combating violence and abuse of people with disabilities, a call to action” Fitzsimons, N. 2009. De signalenlijst is aangevuld met signalen uit de praktijk (M. Heestermans, Zonnehuizen)












Signalen meisjesbesnijdenis

Algemeen:

  • vertellen over meisjesbesnijdenis in het algemeen
  • aankondigen van besnijdenis.

Directe gevolgen tijdens en na de ingreep:

  • extreme pijn (wanneer de ingreep zonder verdoving plaatsvindt)
  • klachten bij urinelozing (pijn bij plassen, ophoping urine in de blaas)
  • overmatig bloedverlies
  • kans op infectie
  • kans op overlijden van het meisje.

Mogelijke gevolgen na de ingreep:

  • moeilijke en/of pijnlijke urinelozing
  • urineweginfectie
  • chronische pijn in de onderbuik
  • littekenvorming
  • menstruatieklachten

Een vermoeden van meisjesbesnijdenis, actueel of in de toekomst, moet direct bij het AMK gemeld worden. Overleg indien mogelijk eerst met de Jeugdgezondheidszorg. Er is een handelingsprotocol meisjesbesnijdenis dat beschrijft wat er na een melding kan gebeuren.












Signalen eergerelateerd geweld

Angst:

  • schichtig reageren
  • onzekerheid
  • verwardheid
  • apathisch zijn
  • in zichzelf gekeerd zijn
  • zich afsluiten van de buitenwereld.

Verandering van gedrag:

  • plotselinge stressreacties
  • schoolverzuim
  • westerse kleding inruilen voor traditionele kleding en hele lichaam bedekken
  • direct na school naar huis gaan
  • stelselmatig opgehaald worden door vader of broer(s)
  • vriendschappen verbreken
  • verwondingen
  • blauwe plekken.

Ontwijkend gedrag:

  • ontwijkende antwoorden op directe vragen over bijvoorbeeld verwondingen of sociale controle door familie
  • lichamelijke verwaarlozing
  • zelfmoordpogingen
  • zinspelen op zelfmoord
  • fatalistische houding
  • verhalen over geweld tegen andere familieleden.

Voorzichtigheid is geboden. Het opmerken van één of enkele signalen hoeft geen grond te zijn voor een vermoeden van kindermishandeling. Een andere oorzaak is ook mogelijk.












Signalen slachtoffers jeugdprostitutie met een verstandelijke beperking


1. Signalen die te maken hebben met gezin / ouders / leefomgeving:

- Er is sprake van een blijvende afhankelijkheid van derden

- Het kind wordt vooral benaderd op onmogelijkheden; de beperking wordt voorop gesteld

- Overbescherming, verwenning en aangeleerde hulpeloosheid

- Groter sociaal isolement / uitsluiting (minder mogelijkheden om ervaring op te doen en te experimenteren).

- Ontkennen of negeren van sekse en seksualiteit (sekse-neutrale en seksloze benadering)

- Gebrek aan informatie (ondermaatse kennis over het eigen lichaam, over seksualiteit en seksueel misbruik).

- Het ontbreken van openheid en adequate (eenduidig en bij cliënt aansluitende) seksuele voorlichting en vorming, waardoor normen en waarden over wat wel en niet kan onvoldoende worden geleerd en geïnternaliseerd.

- Niet adequaat handelen door omgeving bij grensoverschrijdend seksueel gedrag door handelingsverlegenheid, waardoor grensoverschrijdend seksueel gedrag eerder wordt bekrachtigd dan begrensd.

- Niet begrepen, soms niet geloofd door de omgeving.

- Onder- of overschat worden door de omgeving.

- Minder goed grenzen leren stellen in de opvoeding (minder goed geleerd hebben te luisteren en coöperatief te zijn, minder goed geleerd hebben ‘nee’ te zeggen tegen grensoverschrijding).

- Slachtoffer geweest van seksueel misbruik of seksueel grensoverschrijdend gedrag en dit gedrag als ‘normaal’ gaan leren zien.


2. Signalen die te maken hebben met de beperking/handicap van het kind:

- Een negatief zelfbeeld en lichaamsbeeld, een lage dunk van zichzelf hebben.

- Verminderde, vertraagde of verstoorde sociale en emotionele ontwikkeling.

- Moeilijker kunnen leren door ervaringen.

- Moeite hebben met het inschatten van situaties en personen (veilig of onveilig, goed of niet goed).

- Gemakkelijk beïnvloedbaar zijn, consequenties van eigen gedrag en dat van anderen moeilijker kunnen overzien.

- Moeilijker tot een eigen identiteit (inclusief sekse- en seksuele identiteit) kunnen komen.

- Slachtoffer geweest van seksueel misbruik of seksueel grensoverschrijdend gedrag en dit gedrag als ‘normaal’ gaan leren zien. 


NB: Deze signalen staan vermeld in ‘Weerbaar ondanks een beperking’ van Marijke Lammers en Nonja Meinster uit 2005. Overige bronnen: wetenschappelijk onderzoek van Belie 2000; van Berlo 1995;Heestermans 2000; Lammers 1993.


In het speciaal basisonderwijs en in het speciaal onderwijs is sprake van een groep kinderen met allerlei verschillende ontwikkelingsproblemen, beperkingen of stoornissen. Het signaleren van kindermishandeling is bij ‘gewone kinderen’ vaak al een lastige zaak, maar bij kinderen ‘waar iets mee aan de hand is’ is dit nog eens extra ingewikkeld.



In het speciaal basisonderwijs en in het speciaal onderwijs is sprake van een groep kinderen met allerlei verschillende ontwikkelingsproblemen, beperkingen of stoornissen. Het signaleren van kindermishandeling is bij ‘gewone kinderen’ vaak al een lastige zaak, maar bij kinderen ‘waar iets mee aan de hand is’ is dit nog eens extra ingewikkeld.


Welk signaal wijst op wat?

Kinderen die slachtoffer zijn van mishandeling, misbruik of verwaarlozing zullen dit meestal niet uit zichzelf vertellen of zelfs onderkennen. Zij geven vaak wel allerlei ‘signalen’ af, waaruit je kunt opmaken dat er iets aan de hand is. Deze signalen kunnen soms waarneembaar zijn aan het lichaam van het kind (striemen, wonden of een verwaarloosd uiterlijk), maar vaak ook toont het zich in het gedrag van het kind (of in het gedrag van het kind richting ouders of andere volwassenen).


Het lastige is dat je als professional in het SBO of SO onderscheid zult moeten maken tussen de gedragingen / symptomen van een kind, behorend bij zijn specifieke ontwikkelingsproblematiek, handicap of psychiatrische stoornis, én de (gedrags)signalen die kunnen duiden op kindermishandeling.


Veel gedragingen die op de lijst staan van ‘gedragssignalen kindermishandeling’ zullen bij kinderen in het SBO of SO sowieso al vaker voorkomen. Dit hoeft uiteraard bij hen nog niet te betekenen dat zij slachtoffer zijn van kindermishandeling. Echter andersom gaat de redenering ook op: bij een kind met ADHD dat regelmatig woede-uitbarstingen heeft kan deze woede óók een signaal zijn van mishandeling en moet dus niet al zijn gedrag ‘klakkeloos geaccepteerd’ worden als behorend bij zijn gedragsstoornis.


Kortom: bij kinderen in het SBO en SO is het – nóg meer dan in het regulier onderwijs – van belang om jezelf de vraag te blijven stellen: Wat zie ik? Welke signalen neem ik waar? Past dit bij de problematiek of handicap van dit individuele kind? Of is er mogelijk (nog) iets anders aan de hand?


Niet-pluis-gevoel

Vermoedens van kindermishandeling beginnen vaak bij een zogenaamd 'niet-pluis-gevoel' van u als professional. Vaak gaat het hier om 'een intuïtie' of 'onderbuikgevoel', waarbij u zich zorgen maakt om het kind. Neem dit gevoel serieus, breng de door u waargenomen signalen in kaart en volg de stappen van het protocol.


Het gebruik maken van signalenlijsten bij vermoedens van kindermishandeling


Als kinderen mishandeld, verwaarloosd en/of misbruikt worden, kunnen ze signalen uitzenden. Het gebruik van een signalenlijst kan zinvol zijn, maar biedt ook een zekere mate van schijnzekerheid. De meeste signalen zijn namelijk stressindicatoren, die aangeven dat er iets met het kind aan de hand is. Dit kan ook iets anders zijn dan kindermishandeling (echtscheiding, overlijden van een familielid, enz.). Hoe meer signalen van deze lijst een kind te zien geeft, hoe groter de kans is dat er sprake zou kunnen zijn van kindermishandeling.

Het is niet de bedoeling om aan de hand van een signalenlijst het ‘bewijs’ te leveren van kindermishandeling. Het is wel mogelijk om een vermoeden van mishandeling meer te onderbouwen naarmate er meer signalen uit deze lijst geconstateerd worden. Een goed beargumenteerd vermoeden is voldoende om in actie te komen!

Wanneer een kind letsel vertoont, overleg dan direct met de JGZ arts. Indien nodig kan deze het letsel beschrijven. Deze gegevens zijn van belang voor een eventueel onderzoek naar kindermishandeling.

Ook informatie over andere kinderen in het gezin wordt betrokken bij de afwegingen.

Lichamelijke signalen (4-12 jaar)

  • wit gezicht (slaap tekort)
  • hoofdpijn, (onder)buikpijn
  • blauwe plekken
  • slecht verzorgd er uit zien
  • geslachtsziekte
  • jeuk of infectie bij vagina en anus
  • urineweginfecties
  • vermageren of dikker worden
  • pijn in bovenbenen, samengeknepen bovenbenen
  • houterige lichaamsbeweging
  • niet zindelijk (urine/ontlasting)
  • zwangerschap
  • lichamelijk letsel
  • achterblijven in taal-, spraak-, motorische, emotionele en/of cognitieve ontwikkeling


Gedragssignalen (4-12 jaar)

  • somber, lusteloos, in zichzelf gekeerd
  • eetproblemen
  • slaapstoornissen
  • schrikken bij aangeraakt worden
  • hyperactief
  • agressief
  • plotselinge gedragsverandering (stiller, extra druk, stoer)
  • vastklampen of abnormaal afstand houden
  • isolement tegenover leeftijdgenoten
  • zelfvernietigend gedrag (bv. haren uittrekken, praten over dood willen, suïcidepoging)
  • geheugen- en concentratiestoornissen
  • achteruitgang van leerprestaties
  • overijverig
  • zich aanpassen aan ieders verwachtingen, geen eigen initiatief
  • extreem zorgzaam en verantwoordelijk gedrag
  • verstandelijk reageren, gevoelens niet tonen (ouwelijk gedrag)
  • geseksualiseerd (“verleiden”) gedrag, seksueel getint taalgebruik
  • opvallend grote kennis over seksualiteit (niet passend bij de leeftijd)
  • verhalen of dromen over seksueel misbruik, soms in tekeningen
  • geen spontaan bewegingsspel
  • moeite met uitkleden voor gymles of niet meedoen met gym
  • spijbelen, weglopen van huis
  • stelen, brandstichting
  • verslaving aan alcohol of drugs


Kenmerken ouders / gezin:

  • ouder troost kind niet bij huilen
  • ouder klaagt overmatig over het kind, toont weinig belangstelling
  • ouder heeft irreële verwachtingen ten aanzien van het kind
  • ouder is zelf mishandeld of heeft psychiatrische- of verslavingsproblemen
  • ouder gaat steeds naar andere artsen/ziekenhuizen (‘shopping’)
  • ouder komt afspraken niet na
  • kind opeens van school halen
  • aangeven het bijna niet meer aan te kunnen
  • ‘multi-problem’ gezin
  • ouder die er alleen voorstaat
  • regelmatig wisselende samenstelling van gezin
  • isolement
  • vaak verhuizen
  • sociaal-economische problemen: werkloosheid, slechte behuizing, migratie, etc.
  • veel ziekte in het gezin
  • geweld wordt gezien als middel om problemen op te lossen


Signalen seksueel misbruik

Lichamelijke signalen:

  • verwondingen aan genitaliën
  • vaginale infecties en afscheiding
  • jeuk bij vagina en/of anus
  • problemen bij het plassen
  • recidiverende urineweginfecties
  • pijn in de bovenbenen
  • pijn bij lopen en/of zitten
  • seksueel overdraagbare ziekten.


Psychosociale signalen:

  • angst voor mannen of vrouwen in het algemeen of voor een man of vrouw in het bijzonder
  • sterk verzorgend gedrag, niet passend bij de leeftijd van de leerling (parentificatie).


Afwijkend seksueel gedrag:

  • excessief en/of dwangmatig masturberen
  • angst voor lichamelijk contact of juist zoeken van seksueel getint lichamelijk contact
  • seksueel agressief en dwingend gedrag ten opzichte van andere kinderen
  • niet leeftijdsadequaat seksueel spel
  • niet leeftijdsadequate kennis van seksualiteit
  • angst voor zwangerschap
  • angst om zich uit te kleden
  • angst om op de rug te liggen
  • negatief lichaamsbeeld: ontevredenheid over, boosheid op of schaamte voor eigen lichaam
  • schrikken bij aangeraakt worden
  • houterige motoriek (onderlichaam 'op slot')
  • geen plezier in bewegingsspel.


Extra signalen voor kinderen 12 – 18 jaar

  • Suïcidaal gedrag
  • Anorexia
  • Boulimia
  • Weglopen van huis
  • Crimineel gedrag
  • Verslaafd aan alcohol of drugs
  • Promiscuïteit/prostitutie
  • Relationeel geweld


Signalen meisjesbesnijdenis

  • vertellen over meisjesbesnijdenis in het algemeen
  • aankondigen van besnijdenis.

Directe gevolgen tijdens en na de ingreep:

  • extreme pijn (wanneer de ingreep zonder verdoving plaatsvindt)
  • klachten bij urinelozing (pijn bij plassen, ophoping urine in de blaas)
  • overmatig bloedverlies
  • kans op infectie
  • kans op overlijden van het meisje.


Mogelijke gevolgen na de ingreep:

  • moeilijke en/of pijnlijke urinelozing
  • urineweginfectie
  • chronische pijn in de onderbuik
  • littekenvorming
  • menstruatieklachten

Een vermoeden van meisjesbesnijdenis, actueel of in de toekomst, moet direct bij het AMK gemeld worden. Overleg indien mogelijk eerst met de JGZ. Er is een handelingsprotocol meisjesbesnijdenis dat beschrijft wat er na een melding kan gebeuren.


Signalen eergerelateerd geweld

Angst:

  • schichtig reageren
  • onzekerheid
  • verwardheid
  • apathisch zijn
  • in zichzelf gekeerd zijn
  • zich afsluiten van de buitenwereld.


Verandering van gedrag:

  • plotselinge stressreacties
  • schoolverzuim
  • westerse kleding inruilen voor traditionele kleding en hele lichaam bedekken
  • direct na school naar huis gaan
  • stelselmatig opgehaald worden door vader of broer(s)
  • vriendschappen verbreken
  • verwondingen
  • blauwe plekken.


Ontwijkend gedrag:

  • ontwijkende antwoorden op directe vragen over bijvoorbeeld verwondingen of sociale controle door familie
  • lichamelijke verwaarlozing
  • zelfmoordpogingen
  • zinspelen op zelfmoord
  • fatalistische houding
  • verhalen over geweld tegen andere familieleden.

Voorzichtigheid is geboden. Het opmerken van één of enkele signalen hoeft geen grond te zijn voor een vermoeden van kindermishandeling. Een andere oorzaak is ook mogelijk.

Stalking of belaging

Een hele ernstige vorm van huiselijk geweld is stalking. Ook wel belaging genoemd. Speciaal voor het slachtoffer van stalking is door de politie in samenwerking met Movisie , landelijk kennisinstituut en adviesbureau voor maatschappelijke ontwikkeling, de brochure “Als u wordt gestalkt” gemaakt.

  pdf Download de brochure (198 KB) >>>

 

Werkinstructies politie 2016

Kuijer-Slobbe, D. (2016). Bescherming tegen een ex. In: Blauw, jrg. 12, nr. 9 (29 oktober 2016).

 

AWARE

Sinds 1997 wordt in ons land met het uit Canada afkomstige systeem AWARE (Abused Women’s Active Response Emergency) gewerkt. Dit systeem geeft slachtoffers de mogelijkheid om via een electronisch beveiligingssysteem direct melding te maken wanneer zij lastig worden gevallen door hun (ex)partner. Uit de resultaten blijkt dat deze methode zeer effectief is en wordt dan ook steeds vaker toegepast.

Meer weten over AWARE? Kijk hier >>>

Bron: https://www.politie.nl/themas/huiselijk-geweld.html

Voor alle beroepsgroepen heeft het ministerie van VWS een Privacy tool gegevensuitwisseling gemaakt: "Samenwerken in de Jeugdketen".

 

Wat u moet doen:

  • Voor het opvragen van informatie over het gezin bij de huisarts, de prenatale zorg, de kinderopvang, andere scholen, bij de Buurt-of wijkteams, Jeugdadviesteams (JAT) of bij het Zorgbreedteoverleg heeft u toestemming nodig van de ouders. Als het kind ouder is dan 12 jaar heeft u bovendien ook toestemming nodig van het kind.
  • Wanneer de veiligheid van het kind in het geding is kan besloten worden dat met anderen overlegd moet worden ook zonder de toestemming van betrokkenen. Daarbij geldt dat de overwegingen waarom dit gebeurt zorgvuldig moeten worden beschreven in het dossier van kind en of gezin.En ook hier geldt dat alleen datgene wordt besproken dat nodig is om hulpverlening op gang te brengen. 
  • Voor het opvragen van informatie over volwassenen hebt u de toestemming van die volwassene nodig. Tenzij de veiligheid van een persoon in het geding is. Dan kan worden besloten dat er overlegd wordt zonder toestemming van betrokkene en gelden dezelfde voorwaarden: zorgvuldig de afweging maken en opschrijven, alleen datgene bespreken dat nodig is om hulpverlening op gang te brengen.
  • U kunt bij twijfel ook altijd een advies aan Veilig Thuis vragen. 0800 2000

Aandachtspunten bij toestemming ouders:

  • Het heeft altijd de voorkeur om zoveel mogelijk openheid te bieden naar de ouders/cliënten. Indien u inschat dat het geen direct gevaar oplevert voor het kind of voor uzelf, vraag dan altijd toestemming aan de ouders of partner voordat u overleg heeft over het kind (gezin) met andere professionals. Bespreek met hen dat u zorgen heeft over hun kind/familielid en dat u het nodig vindt om uw zorgen te bespreken met bijvoorbeeld de huisarts/jeugdarts / de jeugdverpleegkundige, het buurt of wijkteam ,voor het COA het GCA,  het schoolmaatschappelijk werk,  of een collega van de Jeugdafdeling als u met volwassenen werkt.
  • Bij het vragen om toestemming van de ouders/kind kan het makkelijk zijn gebruik te maken van de zin: "Ik ga er vanuit dat u er geen bezwaar tegen hebt dat ik de zorgen over uw kind bespreek met …"Of:"binnen mijn organisatie is afgesproken dat we zorgen over kinderen bespreken met...."
  • Toestemming kan mondeling en/of schriftelijk gegeven worden.

zie ook:handreiking meldcode kindermishandeling in de psychiatrie

 

Vangnet MGGZ (onderdeel van GGD Amsterdam) bestaat uit:

  • Een team houdt zich bezig met met kinderen die mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd (voorheen Vangnet Jeugd).
  • Een ander team richt zich op de top 600 veelplegers (18-24 jaar).
  • Een team bemoeit zich met Amsterdammers in een sociaal maatschappelijke of psychische crisis (voorheen Vangnet & Advies). De afdeling Hygiënisch Woning Toezicht valt hieronder.
  • Tenslotte is er een team dat regie- en justitietaken uitvoert voor dakloze en/of zwervende verslaafden in Amsterdam.
  • Telefoon: 020-5555462

    Telefoon: 020-5555444

    www.gezond.amsterdam.nl







    We spreken van vechtscheiding wanneer een echtscheiding gepaard gaat met veel ruzies, waarbij negatieve gevoelens ten aanzien van de ex- partner uitgesproken worden naar de kinderen en er bewuste acties plaatsvinden met de bedoeling de andere partner schade toe te brengen. Voor kinderen is een echtscheiding op zich al moeilijk. Een vechtscheiding levert voor hen emotionele schade op en bij echtscheidingen na partnergeweld soms gevaarlijke situaties. 

    Vechtscheidingen worden nu ook als kindermishandeling aangemerkt (2015)

     

    zie ook het dossier partnergeweld van het NJI

    Veilig Thuis

    Veilig Thuis is het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit zijn regionale organisaties waar slachtoffers, daders en omstanders terecht kunnen voor deskundige hulp en advies. Veilig Thuis is er voor iedereen, jong en oud, die te maken heeft met huiselijk geweld of kindermishandeling. Veilig Thuis geeft advies en biedt ondersteuning, ook aan professionals. Veilig Thuis biedt de helpende hand, doorbreekt onveilige situaties en zet mensen in beweging. Veilig Thuis biedt perspectief op een betere situatie waardoor mensen weer toekomst hebben. Mét of zonder elkaar.

    Wilt u advies en hulp voor de ander en/of voor uzelf? U kunt uw vragen stellen of uw hart luchten. U krijgt een hulpverlener aan de lijn, die aandachtig naar uw verhaal luistert. Deze hulpverlener zet alles voor u op een rij, beantwoordt uw vragen en geeft u advies. Ook kijkt de hulpverlener samen met u welke professionele hulp er nodig is. Als u wilt, kunt u anoniem blijven.

    Het landelijke telefoonnummer 0800 2000 verbindt u 24/7  direct door naar de Veilig Thuis organisatie in uw regio of woonplaats. 

    Gemeente Zwijndrecht valt onder Veilig Thuis Zuid-Holland Zuid. Voor meer informatie: zie website Veilig Thuis.

    Veilig Thuis heeft een handelingsprotocol Veilig thuis. Daarin staat wat de werkwijze is, gebaseerd op de wet. 

    Sinds 2015 is er ook een triage instrument waarin het besluitvormingsproces staat beschreven binnen Veilig Thuis.

     

    Wet Tijdelijk Huisverbod

    Per 1 januari 2009 is de Wet Tijdelijk Huisverbod in Nederland in werking getreden. Het Huisverbod is bedoeld om huiselijk geweld verder terug te dringen. Het Huisverbod houdt in dat een pleger van huiselijk geweld tien dagen zijn of haar woning niet meer in mag en in die periode ook geen contact mag opnemen met de partner of de kinderen.

    De maatregel is bedoeld om rust te brengen in de situatie en de nodige hulpverlening op gang te brengen zodat verdere incidenten kunnen worden voorkomen. Het Huisverbod kan worden opgelegd bij alle vormen van huiselijk geweld: relatiegeweld, kindermishandeling, ouderenmishandeling enz. Het Huisverbod kan alleen opgelegd worden aan personen van 18 jaar en ouder. Het Huisverbod wordt op papier, in de vorm van een beschikking die door de burgemeester is ondertekend, door de politie uitgereikt aan de pleger van het huiselijk geweld. De achterblijvende gezinsleden krijgen een kopie van de beschikking.

    In de tien dagen dat het Huisverbod van kracht is, wordt aan alle gezinsleden een hulpaanbod gedaan. Als alle betrokkenen gemotiveerd zijn om met hulpinstanties aan hun problemen te werken en de dreiging van geweld is sterk afgenomen of verdwenen, kan de burgemeester besluiten het Huisverbod na tien dagen af te laten lopen. De hulpverlening die tijdens het Huisverbod is gestart wordt na afloop van het Huisverbod voortgezet.

    De burgemeester kan afhankelijk van de situatie het Huisverbod verlengen tot maximaal vier weken. Een uit huis geplaatste die zich niet aan het Huisverbod houdt, kan maximaal twee jaar gevangenisstraf krijgen of een taakstraf. De uit huis geplaatste heeft de mogelijkheid om tegen het Huisverbod in beroep te gaan bij de bestuursrechter.

    Klik hier voor meer landelijke informatie.

     

     

     

     

    Wanneer u een vermoeden heeft van Huiselijk Geweld, belt u Veilig Thuis: 0800 2000

    Zij zijn deskundig op dit gebied, kunnen advies geven en hulp op gang brengen. Slachtoffers en daders kunnen ook zelf contact opnemen met Veilig Thuis.

    Veilig Thuis geeft informatie, advies en verwijst door. Als uw organisatie zelf niet in de gelegenheid is (met hulp van andere organisaties) adequate hulp te organiseren voor uw cliënt, kunt u een melding doen bij Veilig Thuis bij u in de buurt.

    Als organisatie blijft u nog steeds betrokken.

    Veilig Thuis onderneemt de volgende stappen bij complexe casussen:

    1. brengt de situatie in kaart

    2. schrijft een plan van aanpak

    3. overlegt met samenwerkingspartners: wie doet wat?

    4. kiest een casemanager.

    Veilig Thuis is eventueel tijdelijk de procesmanager.

     


     

     

    Huiselijk geweld kent meerdere vormen, o.a:

    • Partnermishandeling

    • Kindermishandeling (denk ook aan: het getuige zijn van Huiselijk Geweld)

    Oudermishandeling

    • Ouderenmishandeling

    Eergerelateerd geweld

    zie ook vormen huiselijk geweld voor een uitgebreide lijst

    Binnen een gezin/familie kunnen ouders, partners, maar ook broers en zusters, andere familieleden of verzorgers de plegers en of slachtoffers van het geweld zijn.

    Men spreekt vaak over huiselijk geweld als er tussen de dader en slachtoffer een relatie is waarin men in meer of mindere mate kan spreken van een afhankelijkheid van elkaar.

    voor meer informatie kunt u naar de landelijke website Veilig Thuis gaan.

     


     

     

    Advies en hulp bij vermoedens van eergerelateerd Geweld

     

    Zodra u het gevoel heeft dat er voldoende signalen zijn die mogelijk kunnen duiden op een risico van Eer Gerelateerd Geweld is aan te raden om hulp te vragen. Veilig Thuis kan u helpen met het verder in kaart brengen van de signalen en ondersteunen in een risicotaxatie. Deze organisaties hebben de afgelopen jaren ervaring opgedaan met het onderwerp. Zeker het maken van een risicotaxatie en het wegen van de gevaren vraagt om specialistische kennis om dit zorgvuldig te kunnen doen.

    Vermoedt Veilig Thuis eermotieven achter een (dreigende) geweldssituatie dan kunnen zij zich onder andere over de veiligheidsrisico’s laten adviseren door het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateer Geweld dat als zelfstandige eenheid is ondergebracht bij de politie Haaglanden.

    Daar waar de veiligheid van het slachtoffer of aangewezen dader in acuut gevaar is: bel dePolitie, 112

    Veilig Thuis werkt samen met politie, GGD, Wijkteams, Maatschappelijk werk en andere instellingen om situaties van eergerelateerd geweld zo goed mogelijk op te pakken en escalaties te voorkomen.

     

     

     


     

     

     

    Vangnet MGGZ (onderdeel van de GGD): 

    • Een team houdt zich bezig met met kinderen die mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd (voorheen Vangnet Jeugd). Het werkt laagdrempelig. 
    • Een ander team richt zich op de top 600 veelplegers (18-24 jaar).
    • Een team bemoeit zich met Amsterdammers in een sociaal maatschappelijke of psychische crisis (voorheen Vangnet & Advies). De afdeling Hygiënisch Woning Toezicht valt hieronder.
    • Tenslotte is er een team dat regie- en justitietaken uitvoert voor dakloze en/of zwervende verslaafden in Amsterdam.

    020 555 5462

    020 555 5444

    www.gezond.amsterdam.nl

     


     

     

    Wet Tijdelijk Huisverbod

    Per 1 januari 2009 is de Wet Tijdelijk Huisverbod in Nederland in werking getreden. Het Huisverbod is bedoeld om huiselijk geweld verder terug te dringen. Het Huisverbod houdt in dat een pleger van huiselijk geweld tien dagen zijn of haar woning niet meer in mag en in die periode ook geen contact mag opnemen met de partner of de kinderen.

    De maatregel is bedoeld om rust te brengen in de situatie en de nodige hulpverlening op gang te brengen zodat verdere incidenten kunnen worden voorkomen. Het Huisverbod kan worden opgelegd bij alle vormen van huiselijk geweld: relatiegeweld, kindermishandeling, ouderenmishandeling enz. Het Huisverbod kan alleen opgelegd worden aan personen van 18 jaar en ouder. Het Huisverbod wordt op papier, in de vorm van een beschikking die door de burgemeester is ondertekend, door de politie uitgereikt aan de pleger van het huiselijk geweld. De achterblijvende gezinsleden krijgen een kopie van de beschikking.

    In de tien dagen dat het Huisverbod van kracht is, wordt aan alle gezinsleden een hulpaanbod gedaan. Als alle betrokkenen gemotiveerd zijn om met hulpinstanties aan hun problemen te werken en de dreiging van geweld is sterk afgenomen of verdwenen, kan de burgemeester besluiten het Huisverbod na tien dagen af te laten lopen. De hulpverlening die tijdens het Huisverbod is gestart wordt na afloop van het Huisverbod voortgezet.

    De burgemeester kan afhankelijk van de situatie het Huisverbod verlengen tot maximaal vier weken. Een uithuisgeplaatste die zich niet aan het Huisverbod houdt, kan maximaal twee jaar gevangenisstraf krijgen of een taakstraf. De uithuisgeplaatste heeft de mogelijkheid om tegen het Huisverbod in beroep te gaan bij de bestuursrechter.

    Klik hier voor meer landelijke informatie.

    Veiligheid van medewerkers tijdens gesprek of naar aanleiding van een melding over huiselijk geweld of kindermishandeling

     

    • Medewerkers zijn goed toegerust om een gesprek te kunnen voeren
    • Medewerkers hebben de mogelijkheid het gesprek met zijn tweeën te voeren
    • Medewerkers hebben training omgaan met agressie gevolgd en weten hoe te handelen wanneer in een gesprek een ouder of kind agressief reageert
    • De inrichting van de kamer is zodanig dat de medewerker in de nabijheid van een deur kan zitten
    • Er zijn afspraken over het instellen van een achterwacht gemaakt. (vertel een collega dat er een lastig gesprek gevoerd gaat worden en vraag deze in de buurt te blijven)
    • Er is besproken of er een noodknop moet zijn
    • Er is toezicht op wie er het pand binnenkomt
    • Er is beleid dat er nooit iemand alleen in het pand aanwezig is
    • Er zijn goede afspraken met de politie, zodat in geval van crisis één telefoontje voldoende is 030-
    • Er is extra ondersteuning mogelijk in crisissituaties

    Bij huisbezoek kan met een collega sa

    Veiligheid van medewerkers tijdens een gesprek of naar aanleiding van een melding over huiselijk geweld of kindermishandeling

     

     

    Huiselijk geweld is geweld dat in de privésfeer plaatsvindt door partners, ouders, kinderen, huisvrienden en andere familieleden. Het is daardoor vaak onzichtbaar. De term huiselijk geweld zegt niets over de plaats waar het geweld plaatsvindt.

    Steeds vaker wordt de term "geweld in afhankelijkheidsrelaties" gebruikt. Onder deze term vallen "geweld in huiselijke kring", geweld in instellingen/inrichtingen en geweld door vrijwilligers/mantelzorgers. Bij de huiselijke krijg kan men denken aan ouders, broers-zussen, familie of huisvrienden.

     

    Vormen van (huiselijk) geweld in afhankelijkheidsrelaties

    Bij huiselijk geweld kan er sprake zijn van één of meer vormen van lichamelijke verwaarlozing, lichamelijke mishandeling, psychische verwaarlozing, psychische mishandeling en/of seksueel geweld.

    KOPP/KVO kinderen

    Kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP) en kinderen van verslaafde ouders (KVO) lopen een verhoogd risico om zelf ook psychische of verslavingsproblemen te ontwikkelen.  

    voor meer informatie: www.veiligthuis.nl

    Kindermishandeling is onder te verdelen in meerdere vormen. In de praktijk komen in een situatie waarin een of meer kinderen mishandeld worden, vaak verschillende vormen van mishandeling tegelijk voor.

     

    Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van diverse wetten in verband met de invoering van de verplichting voor bepaalde instanties waar professionals werken en voor bepaalde zelfstandige professionals om te beschikken over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling en de kennis en het gebruik daarvan te bevorderen, onderscheidenlijk die meldcode te hanteren (verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling)

    Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen en, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een verplichting in te voeren voor bepaalde instanties waar professionals werken en voor bepaalde zelfstandige professionals om te beschikken over een meldcode voor huiselijk geweld en kindermishandeling en de kennis en het gebruik daarvan te bevorderen, onderscheidenlijk die meldcode te hanteren;

    Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

    HOOFDSTUK 1. VEILIGHEID EN JUSTITIE

    ARTIKEL I

    In de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt na artikel 5 een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 5a
    • 1.De directeur stelt voor zijn personeelsleden en medewerkers een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.De directeur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    ARTIKEL II

    In de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt na artikel 7a een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 7b
    • 1.Het hoofd van de inrichting stelt voor personeelsleden en medewerkers een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Het hoofd van de inrichting bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    ARTIKEL III

    In de Penitentiaire beginselenwet wordt in hoofdstuk II na artikel 5a een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 5b
    • 1.De directeur stelt voor ambtenaren en medewerkers een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.De directeur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    ARTIKEL IIIA

    In de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers wordt na artikel 9 een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 9a
    • 1.Het bestuur stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Het bestuur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    HOOFDSTUK 2. ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

    ARTIKEL IV

    Artikel 16 van de Leerplichtwet 1969 wordt als volgt gewijzigd:

    1. Onder vervanging van de punt aan het slot van het vierde lid, onderdeel d, door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

    • e.een meldcode waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe de ambtenaren bij de uitvoering van hun taken omgaan met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    2. Na het vijfde lid worden vier leden toegevoegd, luidende:

    • 6.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 7.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 8.Het college van burgemeester en wethouders bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode onder deze ambtenaren.

    • 9.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    ARTIKEL V

    De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

    A

    Artikel 1.1.3 wordt als volgt gewijzigd:

    1. In het eerste lid wordt na «de artikelen 1.3.6, 1.3.7, 1.3.8,» ingevoegd: 1.3.9,.

    2. In het tweede lid wordt na «de artikelen 1.3.6, 1.3.8,» ingevoegd: 1.3.9,.

    B

    In titel 3 wordt na artikel 1.3.8. een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 1.3.9. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
    • 1.Het bevoegd gezag stelt voor het personeel van zijn instelling een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Het bevoegd gezag bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    C

    Artikel 1.4.1, vijfde lid, komt als volgt te luiden:

    • 5.De artikelen 1.3.8 en 1.3.9 zijn van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid.

    D

    Aan artikel 1.4a.1 wordt een tiende lid toegevoegd, luidende:

    • 10.Artikel 1.3.9 is van overeenkomstige toepassing op instellingen als bedoeld in het eerste lid.

    ARTIKEL VI

    In de Wet op de expertisecentra wordt na artikel 4a een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 5. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
    • 1.Het bevoegd gezag stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Het bevoegd gezag bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    ARTIKEL VII

    De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt als volgt gewijzigd:

    Na artikel 1.20 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 1.21. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
    • 1.Het instellingsbestuur stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Het instellingsbestuur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    ARTIKEL VIII

    In de Wet op het primair onderwijs wordt na artikel 4a een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 4b. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
    • 1.Het bevoegd gezag of de natuurlijke persoon dan wel de rechtspersoon die een school in stand houdt die niet uit de openbare kas wordt bekostigd, stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Het bevoegd gezag of de natuurlijke persoon dan wel de rechtspersoon die een school in stand houdt die niet uit de openbare kas wordt bekostigd, bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    ARTIKEL IX

    In de Wet op het voortgezet onderwijs wordt in titel I na artikel 3 een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 3a. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
    • 1.Het bevoegd gezag of de natuurlijke persoon dan wel de rechtspersoon die een school in stand houdt die niet uit de openbare kas wordt bekostigd, stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Het bevoegd gezag of de natuurlijke persoon dan wel de rechtspersoon die een school in stand houdt die niet uit de openbare kas wordt bekostigd, bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    HOOFDSTUK 3. SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

    ARTIKEL X

    De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen wordt als volgt gewijzigd:

    A

    Na artikel 1.51 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 1.51a
    • 1.De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau stelt voor het personeel of de gastouders een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    B

    Na artikel 2.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 2.9a
    • 1.De houder van een peuterspeelzaal stelt voor het personeel een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.De houder van een peuterspeelzaal bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    HOOFDSTUK 4. VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

    ARTIKEL XI

    De Kwaliteitswet zorginstellingen wordt als volgt gewijzigd:

    A

    Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 3a
    • 1.De zorgaanbieder stelt voor zijn medewerkers een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.De zorgaanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    B

    In artikel 7, eerste lid, wordt «de artikelen 2, 3, 4, 4a, 4b, tweede lid, en 5» vervangen door: de artikelen 2, 3, 3a, 4, 4a, 4b, tweede lid, en 5.

    C

    In artikel 8, eerste en tweede lid, wordt «artikel 2, 3 of 4» telkens vervangen door: artikel 2, 3, 3a of 4.

    ARTIKEL XII

    De Wet maatschappelijke ondersteuning wordt als volgt gewijzigd:

    A

    Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

    1. Onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, worden de navolgende onderdelen toegevoegd, voorzien van een bij de voorgaande onderdelen aansluitende letteraanduiding:

    huiselijk geweld:

    lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring;

    kindermishandeling:

    kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg;

    steunpunt huiselijk geweld:

    Steunpunt Huiselijk Geweld als bedoeld in artikel 21b;

    advies- en meldpunt kindermishandeling:

    stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg bij de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e, van die wet;

    persoonsgegevens, verwerking van persoonsgegevens, verantwoordelijke, onderscheidenlijk betrokkene:

    hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens.

    B

    Na artikel 10a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 10b
    • 1.Het college van burgemeester en wethouders ziet er op toe dat:

      • a.een derde die maatschappelijke ondersteuning verleent als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 2°, 3°, 5°, 6° of 7°, een meldcode vaststelt, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden;

      • b.indien een derde als bedoeld in het eerste lid beschikt over personeel, hij de kennis en het gebruik van die meldcode onder het personeel bevordert.

    • 2.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    C

    Na artikel 21 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

    § 8b. Steunpunt huiselijk geweld
    Artilel 21b
    • 1.Het college van burgemeester en wethouders van elk van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten draagt zorg voor de organisatie van een steunpunt huiselijk geweld, ten behoeve van die gemeente en de omliggende regio.

    • 2.Een steunpunt huiselijk geweld oefent de volgende taken uit:

      • a.het fungeren als meldpunt voor gevallen of vermoedens van huiselijk geweld;

      • b.het in kennis stellen van een instantie die passende professionele hulp kan verlenen bij huiselijk geweld, van een melding van huiselijk geweld of een vermoeden daarvan, indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft;

      • c.het in kennis stellen van de politie van een melding van huiselijk geweld of een vermoeden daarvan, indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft;

      • d.het in kennis stellen van het advies- en meldpunt kindermishandeling van een melding van huiselijk geweld of een vermoeden daarvan, als er kinderen in het gezin zijn;

      • e.het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn ondernomen.

    • 3.Het steunpunt huiselijk geweld verstrekt aan degene die een vermoeden van huiselijk geweld heeft, desgevraagd advies over de stappen die in verband daarmee kunnen worden ondernomen en verleent daarbij zo nodig ondersteuning.

    • 4.Het college van burgemeester en wethouders van elk van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten bevordert een goede samenwerking tussen het steunpunt huiselijk geweld en het advies- en meldpunt kindermishandeling, de hulpverlenende instanties en de politie.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de werkwijze van een steunpunt huiselijk geweld bij de uitoefening van de taken, bedoeld in het tweede en derde lid, en over de deskundigheid waarover een steunpunt huiselijk geweld moet beschikken om een verantwoorde uitvoering van zijn taken te kunnen realiseren.

    Artikel 21c

    Het steunpunt huiselijk geweld verwerkt persoonsgegevens ten behoeve van de goede vervulling van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede en derde lid. Het steunpunt huiselijk geweld is de verantwoordelijke voor deze verwerking.

    Artikel 21d
    • 1.Een steunpunt huiselijk geweld kan zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens uitsluitend verwerken indien dit noodzakelijk is te achten voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid.

    • 2.Een steunpunt huiselijk geweld kan zonder toestemming van degene die het betreft bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens uitsluitend verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van huiselijk geweld kan worden afgeleid en dit noodzakelijk is te achten voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid.

    • 3.Derden die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep tot geheimhouding zijn verplicht kunnen, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een steunpunt huiselijk geweld desgevraagd of uit eigen beweging inlichtingen verstrekken waarover zij beroepshalve beschikken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen of een redelijk vermoeden van huiselijk geweld te onderzoeken.

    Artikel 21e
    • 1.Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een steunpunt huiselijk geweld op zijn verzoek terstond de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid.

    • 2.In afwijking van artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet het college van burgemeester en wethouders geen mededeling aan de betrokkene of degene die namens deze daarom verzoekt, over de verstrekking van hem betreffende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie aan het steunpunt, voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. Voor wat betreft de toepassing van artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft het achterwege blijven van een mededeling als hier bedoeld dezelfde gevolgen als het achterwege blijven van een mededeling ingevolge artikel 103, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

    Artikel 21f
    • 1.Indien aan een steunpunt huiselijk geweld bij de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, persoonsgegevens worden verstrekt door een ander dan de betrokkene, brengt hij, in afwijking van artikel 34, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, de betrokkene hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de hoogte.

    • 2.De in het eerste lid genoemde termijn kan door het steunpunt huiselijk geweld telkens met ten hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken.

    • 3.In afwijking van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens kan een steunpunt huiselijk geweld de mededeling als bedoeld in dat artikel aan de betrokkene achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken.

    • 4.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de persoon die het huiselijk geweld of het vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven.

    Artikel 21g
    • 1.Het steunpunt huiselijk geweld verstrekt aan een betrokkene desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden waarover deze met betrekking tot die betrokkene beschikt.

    • 2.Inzage in of afschrift van de bescheiden wordt aan de betrokkene geweigerd, indien deze:

      • a.jonger dan twaalf jaren is, of

      • b.de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

    • 3.Indien de betrokkene jonger is dan zestien jaren, of de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden verstrekt, tenzij het belang van de betrokkene zich daartegen verzet.

    • 4.Inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden kan worden geweigerd, voor zover de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de betrokkene daardoor zou worden geschaad dan wel dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, of om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen dan wel een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken.

    • 5.Voor de verstrekking van een afschrift kan een vergoeding worden gevraagd overeenkomstig de krachtens artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens gestelde regels.

    Artikel 21h
    • 1.Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekt een steunpunt huiselijk geweld aan anderen dan de betrokkene geen inlichtingen over de betrokkene, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de betrokkene.

    • 2.Indien de betrokkene minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij:

      • a.jonger is dan twaalf jaren, of

      • b.de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

    • 3.Onder anderen dan de betrokkene zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking vereist is bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, door het steunpunt huiselijk geweld.

    Artikel 21i

    Onverminderd artikel 21j bewaart het steunpunt huiselijk geweld bescheiden die deze met betrekking tot een betrokkene onder zich heeft gedurende vijftien jaren, te rekenen van het tijdstip van ontvangst of waarop zij door het steunpunt huiselijk geweld zijn vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 21b, tweede lid, noodzakelijk is.

    Artikel 21j
    • 1.Het steunpunt huiselijk geweld vernietigt de door hem bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben.

    • 2.Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.

    • 3.Het verzoek wordt niet ingewilligd indien het gedaan is door iemand die:

      • a.jonger is dan twaalf jaren, of

      • b.minderjarig is en de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

    • 4.In de gevallen, bedoeld in het derde lid, kan het verzoek door een wettelijke vertegenwoordiger worden gedaan.

    ARTIKEL XIII

    De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt als volgt gewijzigd:

    A

    Na artikel 40 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 40a
    • 1.Degene die in een register als bedoeld in artikel 3 staat ingeschreven of die een beroep uitoefent waarvan de opleiding krachtens artikel 34, eerste lid, is geregeld of aangewezen en die zijn beroep uitoefent anders dan in het kader van een instelling als bedoeld in de Kwaliteitswet zorginstellingen, hanteert in voorkomende gevallen een meldcode waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe hij met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling omgaat en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    B

    In artikel 86, eerste lid, wordt na «artikel 40, eerste, derde en vierde lid,» ingevoegd: en artikel 40a.

    C

    In artikel 87a wordt na «artikel 40, eerste tot en met derde lid, gestelde voorschriften,» ingevoegd: of artikel 40a.

    ARTIKEL XIV

    De Wet op de jeugdzorg wordt als volgt gewijzigd:

    A

    In artikel 1 wordt in de alfabetische rangschikking een onderdeel ingevoegd, luidende:

    huiselijk geweld:

    huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    B

    Aan artikel 11, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

    • f.het in kennis stellen van het steunpunt huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning van een melding van kindermishandeling gepleegd door iemand uit de huiselijke kring of een vermoeden daarvan.

    C

    In artikel 13, zevende lid, tweede volzin, wordt na «de raad voor de kinderbescherming en» ingevoegd: met een steunpunt huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, alsook omtrent.

    D

    Na artikel 13 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

    Artikel 13a
    • 1.De stichting vergewist zich ervan dat de wijze waarop de medewerkers van de stichting in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de weg staat aan het inzetten van de medewerkers bij de uitvoering van de taken van de stichting.

    • 2.De stichting is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor de medewerkers van de stichting die in opdracht van hem beroepsmatig in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders, welke verklaring niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de stichting ging werken, is afgegeven.

    • 3.Indien de stichting of inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een medewerker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het tweede lid, verlangt de stichting of inspectie dat die medewerker opnieuw een verklaring als bedoeld in het tweede lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. De desbetreffende medewerker legt de verklaring over binnen een door de stichting of inspectie vast te stellen termijn.

    Artikel 13b
    • 1.De stichting stelt voor de medewerkers van de stichting een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.De stichting bevordert de kennis en het gebruik van die meldcode.

    • 3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    E

    In artikel 25 worden, onder vernummering van het tweede en derde lid tot vijfde en zesde lid, drie leden ingevoegd, luidende:

    • 2.De zorgaanbieder vergewist zich ervan dat de wijze waarop zorgverleners die zorg verlenen aan zijn cliënten in het verleden hebben gefunctioneerd, niet in de weg staat aan het inzetten van de zorgverleners bij het verlenen van zorg.

    • 3.De zorgaanbieder is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor de personen die hij jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat doet verlenen en voor andere personen die in opdracht van de zorgaanbieder beroepsmatig in contact kunnen komen met zijn cliënten, welke verklaring niet eerder dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de zorgaanbieder ging werken, is afgegeven.

    • 4.Indien de zorgaanbieder of de inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het derde lid, verlangt de zorgaanbieder of de inspectie dat die persoon opnieuw een verklaring als bedoeld in het derde lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door de zorgaanbieder of de inspectie vast te stellen termijn.

    F

    Na artikel 25 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 25a
    • 1.De zorgaanbieder stelt voor zijn medewerkers een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.De zorgaanbieder bevordert de kennis en het gebruik van die meldcode.

    • 3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    ARTIKEL XV

    In de Wet publieke gezondheid wordt na artikel 15 een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 15a
    • 1.Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat de gemeentelijke gezondheidsdienst voor zijn medewerkers een meldcode vaststelt waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat de gemeentelijke gezondheidsdienst de kennis en het gebruik van de meldcode bevordert.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    HOOFDSTUK 5. SAMENLOOP MET ANDERE WETTEN

    ARTIKEL XVI

    Indien het bij koninklijke boodschap van 18 juli 2009 ingediende voorstel van wet, houdende wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Wet op de jeugdzorg en de Pleegkinderenwet in verband met herziening van de maatregelen van kinderbescherming, Kamerstukken 2009–10, 32 015, tot wet is of wordt verheven en artikel III van die wet eerder in werking is getreden of treedt dan artikel XII van deze wet, wordt artikel XII van deze wet als volgt gewijzigd:

    Onderdeel C wordt als volgt gewijzigd:

    Artikel 21c, derde lid, komt te luiden:

    • 3.Derden, die beroepshalve beschikken over inlichtingen die noodzakelijk kunnen worden geacht om een situatie van huiselijk geweld te beëindigen of een redelijk vermoeden van huiselijk geweld te onderzoeken, kunnen een steunpunt huiselijk geweld deze inlichtingen desgevraagd of uit eigen beweging verstrekken zonder toestemming van degene die het betreft en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep.

    ARTIKEL XVII

    Indien het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2010 ingediende voorstel van wet, houdende de Wet cliëntenrechten zorg, Kamerstukken II, 2009–10, 32 402, tot wet is of wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:

    A

    In artikel 1, eerste lid, worden na onderdeel h drie onderdelen ingevoegd, luidende:

    h1. huiselijk geweld:

    lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld jegens de cliënt, of bedreiging daarmee, door iemand uit de huiselijke kring van de cliënt;

    h2. huiselijke kring:

    de familie of (ex-)partner of mantelzorger van slachtoffers van huiselijk geweld dan wel kindermishandeling.

    h3. kindermishandeling:

    kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg;.

    B

    Na artikel 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 9a
    • 1.De zorgaanbieder stelt een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe door degenen die werkzaam zijn voor de zorgaanbieder of voor een rechtspersoon die in opdracht van de zorgaanbieder zorg verleent, wordt omgegaan met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling.

    • 2.De meldcode is zodanig ingericht dat zij er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 4.De zorgaanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    ARTIKEL XVIII

    Indien het bij koninklijke boodschap van 7 juni 2010 ingediende voorstel van wet, houdende de Wet cliëntenrechten zorg, Kamerstukken II, 2009–10, 32 402, tot wet is of wordt verheven:

    a. vervalt artikel 40a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;

    b. vervalt in artikel 86, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg «en artikel 40a».

    c. vervalt artikel 15a van de Wet publieke gezondheid.

    ARTIKEL XIX

    Indien het bij koninklijke boodschap van 4 juni 2010 ingediende voorstel van wet houdende vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Wet forensische zorg) (Kamerstukken 32 398), tot wet is of wordt verheven en artikel 7.7, onderdeel C, van die wet in werking treedt, komt artikel II te luiden:

    ARTIKEL II

    In de Wet forensische zorg wordt na artikel 6.10 een artikel ingevoegd, luidende:

    Artikel 6.10a
    • 1.Het hoofd van de instelling stelt voor personeelsleden en medewerkers een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

    • 2.Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

    • 3.Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg.

    • 4.Het hoofd van de instelling bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

    • 5.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

    HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALING

    ARTIKEL XX

    De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld.

    Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.histnoot

    Gegeven te’s-Gravenhage, 14 maart 2013

    Beatrix

    De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,M.J. van Rijn

    De Minister van Veiligheid en Justitie,I.W. Opstelten

    Uitgegeven de negentiende april 2013

    De Minister van Veiligheid en Justitie,I.W. Opstelten


    Subcategorieën